Dit gedicht, reeds in 2009 gepubliceerd in het elektronische journaal “Godin in Mij”, zal ook verschijnen in de nieuwe WSNO-dichtbundel. Het enkel een liefdesdrama noemen zou voorbijgaan aan de diepere waarheid, namelijk dat dendrofielen weliswaar vaak aanstichters zijn van hun eigen romance, maar bomen niet zelden ook verleiden.
Al ruisend riep ‘t lover mij toe: “Kom hier!”
Zo lokkend met beloftes van teder vertier
En ik naderde, staarde, verliefd en verkocht
Aan deze bosnimf zo haastig, zo innig verknocht
Dat een stem mij van binnen fluisteren scheen
‘Hans, rustig aan, waar moet dit anders heen?’
Maar ik, met het hart in de keel gestegen
Stortte mij in haar armen en voelde de zegen
Van een stevige bast en een dartele kruin
Waarin vogels kwinkeleerden tussen ‘t groen en bruin
En haar takken omarmden mijn wezen zo warm
En gevoelig als voorheen geen deerne’s arm
Hier enkel vertoeven, tussen blâren van goud
Leek mij een Eden op aarde, zo werd ik ‘t liefst oud
Tot de stem van mijn vrouw van beneden af klonk
En mijn hart, eerst zo gretig, naar mijn knieën zonk
De houtgreep mocht niet baten
Ik moest mijn lief verlaten
En zo namen we afscheid onder ‘t groene plafond
Nu nog wandel ik door straten
En zoek dan in alle staten
Naar de Daphne van mijn droeve liefdes-chanson
Miskend en onbegrepen, geschuwd en bespot
Wegens een voorliefde veroordeeld tot ’t schavot;
Het leven van de dendrofiel gaat niet over rozen
Met bomen vindt hij het immers veel fijner verpozen.
Gerelateerde berichen:



