Het tweede gedicht uit de toekomstige gedichtenbundel “Maar hoe zit het nu met de Drent?”:
De zomer lonkt vrijpostig om de hoek
De lente knippert verwoed door de sneeuw
Bejaarden gooien mistroostig wat koek
En een kapje tijger neer voor de meeuw
Maar even verder op is het altijd warm
Geen karavaan, geen enkel konvooi
Zo gezellig , zo uitgelaten, arm in arm
Zo hartverwarmend als de Vogelkooi
Lippen dik omlijnd met rijp vermiljoen
Wenkbrauwen zwart-bruin aangezet
Wangen poederig purper-rood
Wimpers in de kleine kruller geplet
Rokken boven stevige kuiten
Enkels rank en sierlijk fier
Steken uit sandaaltjes en slippertjes
En een enkel muiltje daar en hier
Gegiechel weerklinkt als de eerste noten
Boven het rumoer van de bar klinken
Gevolgd door het geluid van stemmen
Zwaaiend met de melodie, pinken in pinken
Ze zijn zusters, en familie allemaal
En dansen op het glanzende toneel
De lichten spelen op de zilveren paal
In het midden van het kleurrijk tafereel
Terwijl de zon de horizon bemint
Zonder echt dichterbij te willen komen
En de lente net genoeg moed vind
Om de glans terug te vragen die de winter heeft ontnomen
Nemen wij met zintuigen open en wijd,
Als katten sluimerend in het avondlicht,
De warmte op, de schittering van ware spectaculariteit
En zien dan ‘s nachts het tropische met de ogen dicht.
Emma, 2006
Gerelateerde berichen:



