Om jullie ervan te overtuigen dat het concept vaak en overvloedig in mijn geest ronddoolt, zou het handig zijn als ik hier kon zeggen: Zoals jullie al vaker in mijn stukjes/lijsten/columns hebben gelezen..”. Jammer genoeg noem ik het principe, voor zover ik weet, maar één keer in mijn complete œuvre, waardoor elke kans op een “aha”-moment van jullie kant is verkeken. Het is spijtig, het noopt mij namelijk tot het schrijven van een intro, en als ik ergens slecht in ben, is het niet per se het schrijven van een intro, maar hem zo te schrijven dat mensen het ook echt herkennen als een inleidend stukje, in plaats van een loos gedeelte gekweel voor het echte werk begint. Laat deze paragraaf daar een geschreven bewijs van zijn.
Als een wervelwind nam het de wereld over in 1966, maar mijn kennismaking met het populaire spel Twister kon pas rond mijn 10e levensjaar plaatsvinden. Dit was ongetwijfeld gerelateerd aan de hartgrondige hekel die mijn moeder had (en nog steeds heeft) aan gezelschapsspelletjes. Zelfs de blik die Julius samen met zijn “Et tu, Brutu” tot zijn zoon richtte komt niet in de buurt van de geschokte en afgrijzende oogopslag die mij ten deel valt als ik zo onverstandig ben een potje monopolie voor te stellen. Maar dat even terzijde…
Voor zover ik me kan herinneren is er geen enkele reden waarom ik op zich, technisch gezien, een hekel zou moeten hebben aan het spel. Het is leuk, grappig, innovatief, sportief en schept een band tussen de meest onwaarschijnlijke mensen. Merkel en Schroder zouden er goed aan doen eens een spelletje te wagen, al was het maar om de onderlinge verstandhouding evenals de coalitievorming een handje (op groen) te helpen. Jammer genoeg heb ik het idee dat beiden op hun eigen kleur zouden blijven staan, en met dat soort kleurbekennen behaal je geen zeges.
Wat ik tegen deze gezellige, knusse, ludieke bezigheid heb ligt niet zozeer aan de praktijk, als wel aan de participanten. Het is mijn ervaring, en daarom hogelijk individualistisch, dat Twister bij voorkeur wordt gespeeld door mensen die wegens omvang- en postuurproblemen er geen moment over na zouden denken om te fietsen als ze in een auto kunnen stappen, een trap niet kunnen beklimmen zonder amechtig te hijgen aan het einde, en bij de gedachte aan arbeid al het zweet op het voorhoofd hebben staan. De vraag smeekt gesteld te worden: Waarom doen deze mensen dan wel dezelfde moeite voor een simpel partijtje Twister?
Is het een gevoel van kolonisatie dat Nederlanders toch altijd een beetje in zich hebben gehouden, dat maakt dat ze niet tevreden zijn tot ze minstens 75 procent van het veld in beslag houden met slechts één hand en één voet? Is het een drang tot vernedering dat de beste van ons in ons hebben, dat ervoor zorgt dat ze bij de minste of geringste kans hun zweterige shirten tegen je hoofd aandrukken? Is het een misplaatst gevoel van sportiviteit – of sadisme, hoe je het ook wilt noemen, ik ben niet kieskeurig – dat ertoe leidt dat je je in de meest onmogelijke bochten over, onder, tussen en langs hun volslanke ledematen moet wringen om nog dat felbegeerde rondje rood in te nemen? Is Twister dé manier voor dikke mensen om de maatschappij, in de vorm van hun vertarmere vrienden, terug te pakken voor de stigmatisering, de vet-tax, de laatdunkende blikken in de trein en het doktersadvies om minder te eten, en meer te gaan sporten?
Allemaal vragen die een uitgebreide studie waard zijn, maar waarop ik op dit moment het antwoord schuldig moet blijven, daar ik er slechts naar kan gissen. Ik weet echter wel dat de volgende persoon die in mijn bijzijn Twister suggereert als tijdverdrijf, niet alleen de blik, maar ook het lot van J. Caesar te wachten zal staan… Zijn alea zal ge-iactaat zijn.
Emma, WSNO, 2005
Geen gerelateerde berichten.



